In de 20e eeuw is ‘mooi’ in kunst vaak verdacht gemaakt. Het zou te decoratief zijn, te makkelijk, te behagend… Nee, concept, dáár moest het over gaan! En lelijk was niet per se een must, maar wél een pre. Een schilderij dat ‘te mooi’ werd gevonden, kon rekenen op argwaan: waar zat dan de diepgang, het intellect, de kritiek?
Ik sta aan de andere kant. Voor mij is schoonheid niet oppervlakkig, goedkoop of makkelijk. Schoonheid is een essentie, een basisbehoefte. Zoals je graag zuurstof in je longen hebt, of zonlicht op je gezicht. Gelukkig sta ik niet alleen in deze mening.
Volgens Elaine Scarry (On Beauty and Being Just) zet schoonheid ons aan tot zorg en rechtvaardigheid, omdat het ons boven onszelf uit tilt.
Wat Nietzsche betrof waren kunst en schoonheid manieren om met de tragiek van het leven om te gaan. Zonder schoonheid wordt de werkelijkheid ondraaglijk.
Kandinsky en Rothko waren van mening dat abstracte kunst schoonheid kan loskoppelen van het figuratieve en het laten resoneren op een spiritueel niveau.
Onbehaaglijk
Toch lijkt schoonheid nog steeds een ongemakkelijk thema binnen de hedendaagse kunst. Het wordt vaak weggezet als decoratief, als iets voor aan de muur zonder betekenis. Maar waarom eigenlijk? Wie wil er nu bewust lelijkheid in zijn leefruimte hangen? Kunst mag best wringen en uitdagen, maar is dat niet nog krachtiger als het tegelijk ook schoonheid in zich draagt?
Schoonheid en lelijkheid zijn immers geen tegenpolen. Ze bestaan vaak naast elkaar. Een werk kan rauw zijn en tóch prachtig. Het kan confronteren én troosten. Kijk naar Louise Bourgeois: haar sculpturen ademen angst en trauma, maar ze zijn tegelijkertijd van een zeldzame gratie. Of denk aan Mark Rothko: zijn kleurvelden kunnen voelen als loodzwaar verdriet, maar hun schoonheid maakt dat je er niet van wegkijkt.
Versterkend
Voor mij is schoonheid juist de ingang naar emotie. Het opent de deur, trekt je blik naar binnen en laat je voelen wat eronder ligt. Schoonheid is de verleiding, emotie is de echo die blijft hangen. Dat is ook wat ik in mijn eigen werk onderzoek: hoe schoonheid en innerlijke emotie elkaar niet uitsluiten, maar elkaar juist versterken.
Misschien is de vraag niet langer: mag kunst mooi zijn?
Misschien is de echte vraag: kunnen we het ons veroorloven dat kunst géén schoonheid meer in zich draagt?
Want in een wereld die vaak al rauw, luid en chaotisch genoeg is, kan schoonheid juist de plek zijn waar we ademhalen. Waar we even kunnen landen, onszelf kunnen ontmoeten… en misschien zelfs een glimp van vrede ervaren.
De ziel raken
Schoonheid is niet het tegenovergestelde van diepgang. Schoonheid ís diepgang, op een andere frequentie. Het is een taal die ons raakt zonder woorden, een taal die misschien wel dichter bij de waarheid ligt dan welke theorie of conceptuele tekst ook.
Hoe schoonheid en innerlijke emotie elkaar niet uitsluiten, maar juist versterken.
Voor mij vertegenwoordigen kleur en vorm de innerlijke wereld van emotie, schaduw, ongeziene kansen en de patronen die ons soms beperken. In een schilderij kan schoonheid die schaduw niet verhullen, maar juist zichtbaar maken. Het is de aantrekkingskracht van kleur die ons verleidt om langer te kijken, en dan — onder dat oppervlak — ontdekken we de trillingen van angst, verlangen, hoop of gemis.
Ik geloof dat schoonheid niet alleen esthetisch is, maar existentieel. Het is de taal waarmee emotie een lichaam krijgt. Zoals een melodie je kan laten huilen zonder woorden, zo kan kleur je laten voelen wat je zelf misschien nog niet onder ogen wilde of kon zien.
Daarom is mijn werk niet ‘mooi óf emotioneel,’ maar precies die spanning ertussen. Schoonheid trekt je naar binnen, emotie laat je niet meer los. Samen worden ze een spiegel: voor de schaduw die we vermijden, maar ook voor de ongeziene mogelijkheden die achter die schaduw liggen.

Shining Through verbeeldt de spanning tussen de afleidingen die de wereld biedt, en onze eigen bereidheid die te omarmen om blind te blijven voor onszelf. Het licht dat toch doorbreekt belichaamt de onontkoombaarheid van inzicht.
