De grijze klever

Toen hij zoals altijd stipt acht uur kantoor binnen stapte, kwam net de koffiedame door de gang aanlopen. Ze duwde met zichtbare moeite haar grote kar voor zich uit en maakte de draai naar de koffiehoek. Karel voelde irritatie. Hij begon de dag altijd met een redelijke warme kop automatenthee. Voordat hij met zijn toegangspasje de glazen deur kon openen, zou ze beslist de grote koffie- en theemachine al geopend hebben voor het dagelijks onderhoud. Even overwoog Karel uit te wijken naar de machine verderop, in de volgende gang. Nee. Het gaf hem direct een onbehagelijk gevoel. Hij voelde zich het prettigst als hij zijn routine aan kon houden. Dat zou nu natuurlijk niet meer lukken, zo zonder eerste kopje thee dat hij meenam naar zijn bureau, voordat hij zijn aktetas neerzette en nog terwijl hij zijn jas droeg. Hij zuchtte diep. Het kwam aan op de welbekende keuze tussen de twee kwaden. Wat zou hem het minst uit zijn veilige dagelijkse gang van zaken halen? Met spijt moest Karel aan zichzelf toegeven, dat hij er het meest bij gebaat was als hij eerst zijn tas zou neerzetten op de grond naast zijn bureau. Hij voegde het woord bij de gedachte en liep de kamer in. Hij zette zijn aktetas naast zijn keurig opgeruimde bureau op de grijze tapijttegels en drukte op het aan knopje van zijn computer. Daarna trok hij zijn jas uit en hing die aan een kledinghanger die op zijn beurt weer aan een spijker aan de muur hing. Nu hij weer de volgorde kon aanhouden die hij altijd hanteerde, voelde Karel als vanzelf zijn irritatie maar vooral zijn spanning wegebben. Hij ging op zijn ergonomische stoel zitten en dacht na over het idee van zijn baas, het idee waardoor hem drie jaar geleden de schrik om het hart was geslagen.
‘Het Nieuwe Werken.’
Volgens meneer Everts was dat Nieuwe Werken al in veel kantoren een groot succes! En zelfs op gemeentehuizen moesten de medewerkers er nu aan geloven. Karel rilde bij de herinnering toen hem dat Nieuwe Werken uitgelegd werd.
‘Men komt in de ochtend binnen, de een wat eerder, de ander wat later. Zolang men zijn acht uren per dag vol maakt, is het toegestaan de werkdag te beginnen tussen half acht en half tien.’
Karel had zijn tanden stevig op elkaar geklemd. De baas ging verder:
‘Voorts kan men kiezen, waar men wil zitten! Vaste werkplekken zullen we niet meer kennen. Neen, iedereen kan zich vrij door het gebouw bewegen en elke dag een andere plek gebruiken!’
Karel keek vol haat naar de verlustigende blik in de ogen van zijn werkgever.
Ik neem ontslag voor het zover komt, had hij gedacht. Maar hij wist dat hij het niet zou doen. Al drieëntwintig jaar bij dezelfde baas, en dan ergens anders opnieuw beginnen? Karel voelde zich in het nauw gedrongen. Met lede ogen zag hij, hoe er gedurende tweeëneenhalf jaar door verschillende commissies, vergaderclubs en comités oeverloos gesoebat, nagedacht, gebrainstormd en geruzied werd over hoe dat Nieuwe Werken er binnen de muren van dit kantoor moest komen te zien. Twee jaar en zes maanden waarin Karels hoofdhuid onaangenaam prikte en zijn hart versnelde, iedere keer dat er enthousiast over werd geboomd op zijn kamer, die hij met nog zeven collega’s deelde.
Hij was reusachtig opgelucht geweest toen nog vóór de implementatie van dat Nieuwe Werken het feitelijk het Oude Werken bleek te zijn. Mensen leverden minder prestaties en slechtere kwaliteit door dit ronddansen binnen het kantoorpand en de onrust van telkens binnenvallende collega’s, die verkozen uit te slapen in plaats van op een fatsoenlijk uur naar het werk te gaan.

Om twintig over acht stond er naast Karel op het bureau een bekertje thee en daarmee was, afgezien van een verschil in tijd, alles weer bij het oude. Collega Brunemans kwam, na een vroege vergadering elders in het pand, kwiek als gewoonlijk binnen en nam zijn plaats in tegenover Karel.
‘Goedemorgen, Karel! Goed weekend gehad?’
Karel kon als altijd de respectvolle, hartelijke toon van zijn collega waarderen. Hij glimlachte een beetje en gaf zijn standaard antwoord:
‘Misschien wat saai. Maar lekker rustig!’
Zijn overbuurman keek wat ongemakkelijk. Direct echter stak hij van wal over zijn eigen volle weekend. Voetbal met de zoon op zaterdagochtend. Karateles in de middag met de dochter. In de avond uit eten met moeders de vrouw. Zondag naar de kerk en in de middag nog naar een verjaardag. Karel knikte. Het stelde hem gerust dat ook de weekenden van zijn overbuurman een routine leken te kennen. Hij dacht nog even na over de ongemakkelijke blik die hij meende te bespeuren bij zijn gewaardeerde collega. Had hij dat goed gezien? Wat betekende het? Al gauw schudde hij geïrriteerd zijn hoofd. Wat een vervelende, abstracte gedachten. Bah!

‘Het klopt gewoon niet, dat is alles wat ik zeg!,’ siste Ruud Brunemans tegen Ans Hogering. Ze keek hem aan, het was of ze iets wilde zeggen maar wendde haar blik af. Het leek of ze wat afwezig was terwijl ze in haar koffie roerde. Ruud hield vol.
‘Zeg dan toch eens – het is jou toch ook opgevallen!? Iedere maandag ziet Karel eruit of hij zaterdag en ook zondag een marathon gelopen heeft, en niet geslapen! Donkere kringen onder zijn ogen, een uitgebluste blik. En naarmate de week vordert, knapt hij weer op. Om de volgende maandag weer volkomen gesloopt achter zijn bureau te zitten, kaarsrecht natuurlijk…’
Toen zijn collega bleef zwijgen en stug in haar koffie bleef turen, ging hij voort:
‘Natuurlijk heb ik hem er wel eens naar gevraagd. Wat zeg ik!? Herhaaldelijk kaartte ik het aan. Ik heb het rechtstreeks gevraagd, ‘waarom zie je er toch altijd zo moe uit op maandag?’ En ook wel met een grapje of op cryptische wijze heb ik geprobeerd, hem de waarheid te ontfrutselen. Maar hij wil van geen wijken weten. Zoals die man de onschuld kan uithangen, hij verdient een Oscar!’
Hij zag hoe Ans haar lippen op elkaar kneep. Die zou niets zinnigs meer zeggen. Ruud haalde zijn schouders op en dacht gelaten: zo’n verdorde vrouw die niet wil roddelen. Tenzij ze het over haar eigen familie kan hebben, natuurlijk. Dan gelden die fatsoensregels niet!

Hij voelde zich verongelijkt. Haar houding sprak afkeuring uit over de interesse die hij in zijn collega’s toonde. Maar oh wee als iemand iets durfde te vinden van de akelige dingen die zij over haar schoondochter beweerde! Een frisse, jonge meid die goedlachs en flirterig was, het arme ding had het maar lastig met zo’n feeks van een schoonmoeder. Ruud glimlachte bij de herinnering toen Maartje haar schoonmoeder verleden maand eens ophaalde van het werk. Hij had nog naar haar durven knipogen en had daarvoor een brede glimlach ontvangen van het lieve meisje. Maar die Ans kon haar absoluut niet waarderen. Het was eeuwig zonde.

Vrijdagmiddag. Na het werk was Karel zoals gewoonlijk even de supermarkt om de hoek van zijn straat binnen gewipt. Een half kilootje aardappels, een stukje vlees en een handje verse, groene bonen. Als toetje nam hij een chipolatapudding. Dat was wel erg veel voor één persoon, maar tenslotte het was de laatste vrijdag van de maand. Dan mocht men gerust een keertje uit de band springen. Hij deed het elke vrijdag vóór de eerste van de volgende maand. Nog altijd bezorgde de beslissing hem een mengeling van zalige schuld en hartkloppingen. De gedachte ‘dat kan ik toch niet maken,’ onderdrukte hij. Dit genoegen niet hij zich niet ontzeggen. Het was zijn enige zonde.

Thuis duwde hij met de punt van de ene schoen de andere uit en met zijn gesokte tenen de andere. Zijn afgetrapte maar netjes gepoetste lederen schoenen zette hij netjes naast elkaar naast de mat. Hij schoot in zijn sloffen, die hij voor vertrek keurig had klaargezet bij de voordeur. De boodschappentas ging op het aanrecht en zijn aktetas op de stoel bij kleine eettafel in de keuken, tegenover de stoel waar hij altijd op zat. Daarna trok hij zijn jas uit en begon aan het avondeten. Een gekookt aardappeltje, een stukje varkensgebraad en keurig in drieën gesneden sperzieboontjes. Terwijl het eten stond te pruttelen op het gas, klopte hij het tafellaken uit en legde het minutieus afgemeten over de tafel. Hij vouwde de randen om en streek het smetteloze witte linnen glad. De Friese staande klok, een erfstuk, galmde in de woonkamer zes uur. Tevreden neuriënd draaide Karel het gas uit en schepte het eten op. Met smaak at hij aan de netjes gedekte tafel. Hij voelde zich tevreden. Moeder zei vroeger altijd al, dat een tafelkleedje en een verzorgd gedekte tafel gezelligheid gaven. Hij knikte in zichzelf en sneed zijn vlees alvast in kleine stukjes. Dat was voor straks. Eerst at hij de aardappeltjes, dan de boontjes en daarna het vlees. Zo deed hij het altijd.

Na de afwas keek hij op de klok, die hij in de kamer kon zien staan als hij met zijn rug naar de gootsteen stond. Kwart voor zeven. Hij nam zijn kopje koffie mee naar de leunstoel en zette die neer op het tafeltje ernaast. Hij knipte de tv aan. Daarvoor moest hij bij het toestel zijn. Het was een oud beestje, maar waarom vervangen als dat het nog zo goed deed? Het kostte een minuutje voordat het beeld verscheen. Karel zakte in zijn luie stoel en greep de afstandbediening. Hij keek zijn zeven uur programma en dronk zijn koffie. Langzaam begon hij te knikkebollen. Het was een lange, drukke week geweest op kantoor.

De portier van de casino zwaaide de deur wijd open om hem door te laten. De directeur, die hen uitgeleide had gedaan, lachte naar hem en boog. Karel voelde zich oppermachtig. Hij was gevierd. Altijd wist hij precies genoeg te winnen. Je moest oppassen dat je niet teveel won, want dan kon je het bij zo’n casino verder wel vergeten. Nee, op deze manier kreeg je het respect dat je verdiende. Karel, hier in het buitenland Charles, glimlachte toegeeflijk naar de wat dikke, bebrilde man in het net te strakke pak. Hij dacht aan de andere casino’s en het geld, dat hij overal met bakken binnenhaalde. Blackjacken, eenentwintigen, het roulettewiel. Lady Fortuna was op zijn hand. Voortdurend.

‘It’s always a pleasure to have you, mister Johnson,’ kweelde de man nog net, voor de deur achter hen dicht zwaaide. Karel trok zijn arm uit die van zijn oogverblindende gezelschapsdame. Haar lange gouden jurk ruisde toen hij haar een zacht tikje op haar kont gaf, om haar richting de limousine te dirigeren. Ze glimlachte zwoel naar hem, pakte haar piepkleine gouden handtasje met twee handen beet en hipte met kleine pasjes naar de zwarte, glanzende slee. Karel verschikte de stapels bankbiljetten in zijn zakken en knikte naar de chauffeur, die een pet met het glanzende goudkleurige logo van het hotel droeg. De man hield met een pokergezicht het portier voor hen open. Lui liet Karel zich naast Samantha op de leren achterbank vallen. Ze sloeg meteen haar armen om hem heen.
‘Oh Charles,’ kreunde ze zachtjes in zijn oor. Haar hand gleed naar zijn kruis en hij grijnsde. Hij vroeg zich niet af of het liefde, geilheid of macht was. Wat donderde het? Hij had alles wat hij zich kon wensen. Kon hem het bommen of ze het alleen voor het geld of het aanzien deed. Hij had de touwtjes in handen. He was the man.
Samantha drukte op een knopje. De donkere scheidingswand tussen chauffeur en passagiers schoof praktisch onhoorbaar omhoog. Terwijl ze vervolgens de champagne inschonk, knipte Karel met een platina cutter het kapje van zijn The Gurkha His Majesty’s Reserve. Hij liet zich heerlijk achterover in het verwelkomende leer zakken. Samantha gaf hem een glas aan, gaf hem vuur met de zwarte ST Dupont Ligne 2 aansteker om zijn sigaar aan te steken. Daarna ging ze bevallig op de grond voor hem zitten. Karel glimlachte, leunde zijn hoofd achterover, sloot zijn ogen en grinnikte even.
‘Nu zuigen we allebei,’ dacht hij. En toen dacht hij een hele tijd niets meer.

In het hotel nam zijn minnares een douche. Hij overwoog erbij te gaan staan. Maar het hartvormige bed was te aanlokkelijk. Bovendien… Hij zou toch wel weer aan zijn trekken komen. Hij grijnsde wellustig. Door de grote ramen zag hij in de diepte de lichtjes van de luxejachten in de haven van Monte Carlo. Hij schopte zijn Italiaanse, handvervaardige Berluti’s van zich af. Achteloos wierp hij zijn Reeves maatpak van zich af terwijl hij naar het bed stapte, het jasje en, al struikelend, de pantalon. Hij trok zijn Italiaanse Hugo Boss stropdas los en knoopte zijn handgemaakte overhemd uit. Met zinnelijk genoegen gleed hij tussen de bordeauxrode, zijden lakens. Samantha kwam uit de badkamer, naakt en maar gedeeltelijk afgedroogd. Haar lange blonde krullen dansten terwijl ze in een wolk van subtiele parfum op haar tenen sierlijk naar het bed danste. Karel snoof de zachte geur op. Hij had haar een flesje van 30 milliliter No. 1 Imperial Majesty Perfume gegeven, omdat ze zo’n goede mascotte was aan de speeltafels. Karel grinnikte weer. Een dure hoer, meer was ze niet. Het voelde goed, aan de top te staan. Hij werd al geil van de gedachte alleen. Haar prachtige figuur, verkregen door steevast hongeren, hielp natuurlijk mee.
Ze stond op het punt op het hoge bed te klimmen. Karel knipte met zijn vingers en ze keek op.

‘Darling,’ zei hij loom en wees op de bar in de woonkamer van hun suite. Meer hoefde hij niet te zeggen. Ze kende haar taak. Hij was blij dat hij het haar eindelijk afgeleerd had steevast ‘Of course, Charles, whatever you want,’ zei. Het voelde altijd onoprecht. Hij stelde zich graag voor dat ze niets liever wilde dan bij hem zijn en hem behagen. Hij keek met zijn armen onder zijn hoofd toe hoe ze een vingerbreedte Chivas Regal Royal Salute 62 Guns in een kristallen glas schonk. Ze hield het met twee handen vast en bracht het met kleine pasjes naar hem toe. Hij pakte het aan en sloeg een arm om haar schouders toen ze naast hem kroop.

Maandagochtend liep om half zeven de wekker af. Karel schrok wakker en gaf het ouderwetse, luid rinkelende ding een flinke mep. Hij stond vrijwel meteen op en gleed met twee handen over de voorkant van zijn pyamajasje, automatisch, alsof hij de nachtelijke kreukels eruit wilde strijken. Op blote voeten liep hij rillend over het koude linoleum naar de onverwarmde badkamer en maakte zich gereed voor de dag.

In de spiegel zag hij zijn bleke gezicht, de donkere kringen onder zijn ogen. Wat was dat toch! Zou de eenzaamheid van zijn weekenden soms een negatieve uitwerking hebben op zijn gezondheid? Hij liet wat warm water in de wastafel lopen en verspreidde het scheerschuim over zijn kaken. Als dat zo was, dan was het maar goed dat hij werkte! Een opluchting trok door hem heen. Godzijdank dat het gevaar van dat frivole Nieuwe Werken was afgewend. Hij kende zichzelf. De verandering van routine had hem waarschijnlijk in de ziektewet doen belanden. En wat zou de eenzaamheid dàn wel niet met hem doen..?

Om kwart over zeven wilde hij de voordeur uit lopen. Zijn oog viel op de oude, plafondhoge kast in de gang, al kon hij niet zeggen waarom. Het was een prachtig mahoniehouten meubelstuk dat nog van grootvader en grootmoeder was geweest. Eigenlijk stond dat ding daar maar en hij had al eens overwogen, het te verkopen omdat hij het niet gebruikte. Maar dat vond hij toch zonde. Dingen van vroeger moest je koesteren. En nu werd zijn blik ernaar toe getrokken. Dat was het… De deur stond op een kleine kier. Hoe kon dat nu..? Langzaam liep hij de drie stappen naar de kast. Hij opende de deur. Een stuk of zes, zeven hoge, ongeordende stapels slordig bijeengebonden bankbiljetten vielen voor hem op de grond. Karel verbleekte en stond verstijfd met zijn tas in zijn ene, zijn sleutels in de andere hand.

In één oogopslag zag hij, dat het allemaal 200 en 500 euro biljetten waren. De meeste samengebonden, sommige waren losgeraakt. Die dwarrelden nog sierlijk na in de luchtstroom die hij veroorzaakt had door het plots wijd openen van de deur. Ze landden zachtjes, tot aan de andere kant van het halletje toe.

Wat had dit in hemelsnaam te betekenen..? Had iemand zijn huis als geheime bergplaats gekozen? De angst sloeg hem terstond om het hart. Zou de politie hem verdenken van de misdaden, die de snode verbergers ongetwijfeld gepleegd hadden..? Was hij zijn leven nog wel zeker, nu hij dit ontdekt had..? Hij stond daar maar en stond maar. Het drong tot hem door dat de Friese klok de minuten aftikte. De tikken klonken hol en onwaarschijnlijk hard door het stille huis.

Ik moet gaan, dacht hij. Ik moet gaan, anders kom ik te laat.

Hij slikte. Hij moest nu werkelijk gaan. De bus kon nu elk moment vertrekken. De volgende kwam over tien minuten. Als hij die nam, kon hij onmogelijk om vijf over acht zijn computer opstarten.