Odi et amo

Ik had haar lief. Ik had haar lief, dat zweer ik bij alle heiligen Gods. En nu?
Ik wil dat ze sterft. Op gruwelijke wijze sterft. Ik wil dat ze angst voelt, hevig en diep. Ik wil dat dat het laatste is dat ze voelt. Ik wil dat ze mijn gezicht ziet, wanneer ze haar laatste adem uitblaast. Ik wil de schrik en angst in haar ogen zien. Die verradelijke ogen, waarvoor ik alles vernietigde dat me lief was.

Niemand weet, dat ik haar bekijk. Honderd voet van de kerk zit ik in het struikgewas verscholen en sla haar gade. De blozende bruid. Ze lacht en kokketeert alsof het haar eerste huwelijk is. Aan niets is te zien, dat het haar tweede bruidegom is die ze hier toelacht. Ik klem mijn kaken op elkaar en bal mijn vuisten. Haar blonde haar, gevlochten en om haar oren gewonden, glanst in de zon, waar de sluier het niet bedekt. Ze lacht helder en kijkt op naar haar ridder. Haar ranke figuurtje danst. Ik kan het zien alsof ze geen jurk draagt. Mijn hart slaat een slag over. Nog altijd beroert ze me. Ik slik en duik dieper weg in de struiken, mijn vingers klauwen verkrampt in de vochtige aarde.

Ik vocht alleen in toernooien. Aan het melée, het massale gevecht waarbij twee groepen elkaar te lijf gaan, wist ik me altijd te onttrekken. De een-op-een gevechten kon ik niet weigeren. Te voet met zwaard of te paard met lans… mijn destriër kostte mijn broer een vermogen en nog altijd klonken de klachten van de priester in mijn oren. Keer op keer sommeerde hij me, George te vragen de dorpelingen en boeren te ontzien. De belasting was sinds het overlijden van mijn vader verdrievoudigd. Mijn uitdossing was onvoorstelbaar kostbaar. Mijn krijgspaard was het beste ros dat voor geld te krijgen was. Ik wist dat George van me verwachtte dat ik ermee te oorlog zou gaan. Maar hij zei het nooit hardop.

De kleine brandjes die ik de koning hielp blussen zouden onbetwistbaar leiden tot een serieuze oorlog. Ik moest George duidelijk maken dat ik niet geschikt was. Aanvankelijk stelde ik het uit. Wie hoort er graag dat het kleine fortuin dat hij heeft uitgegeven, tevergeefs was..? Nee, ik speelde het spel; ik was slechts thuis om op adem te komen en een dronk uit te brengen op mijn broer en zijn bruid. Ik draaide om de hete brij en voelde de druk van de aankomende oorlog. En altijd waren daar die prachtige, lichtblauwe ogen en zachte glimlach van zijn kersverse echtgenote. Het broedde in mij, en ik had het nog niet in de gaten. Het enige dat ik me bewust was, was dat ik me moest onttrekken aan een gevaarlijk leven vol gevechten. Ik keek naar George. Een paar minuten verschil en ík was het geweest, die hier heer en meester was. Dan had hij mijn voedsel gegeten, mijn wijn gedronken.

Ik geef het toe: ik was rancuneus. De luttele minuten die we in leeftijd scheelden, maakten van mijn broer een rijk man en van mij een liefdadigheidsgeval. Eindeloos bleven hij en ik mijn mogelijke toekomst bespreken. Om priester te worden had ik te weinig behoefte binnen bedompte muren stricte regels te gehoorzamen. George liet me in zijn huis wonen, ik at zijn everzwijn en dronk zijn wijn. Ik was me er altijd van bewust, dat dit een tijdelijke regeling was.

Na de Slag van Humbleton Hill in 1402 broedde de koning al op wraak. Henry Percy, indertijd zijn bondgenoot, had een fortuin bemachtigd terwijl de koning verlies leed. Iedereen wist het, een veldslag was onafwendbaar. De koning zou zijn wraak krijgen. En vóór het zover was, moest ik mijn broer overtuigd hebben. Nachtenlang hield ik George uit zijn bruidsbed, met nog een laatste dronk wijn en nogmaals een soebat voor een ander métier. In het begin, ja aanvankelijk wilde ik hem overtuigen dat dit mijn pad niet was. Maar later… Elke keer wanneer hij naar zijn slaapvertrek liep, was ik me er zeer van bewust dat zij daar in bed lag. Lief, meegaand, zacht. De laatste bekers wijn dronk ik ‘s avonds altijd alleen. Ik warmde me aan het intussen ingezakte vuur, beet mijn kiezen op elkaar en klemde mijn beker vast alsof die me kon redden van een allesverterend jaloezie.

Wie kon het haar kwalijk nemen dat mijn broer haar niet in vuur en vlam zette? George was op zijn vijfentwintigste al kalend met een flinke buik. Hij was joviaal, maar lui en leek wat onverschillig. Nee, haar eerste echtgenoot huwde ze niet om zijn uiterlijk maar om zijn bezit. Een flinke burcht, jachtbossen, boerderijen. Aanzien, fluweel, sieraden. Eenmaal haar buit binnen, liet ze haar oog op zijn jongere broer vallen. Ondanks onze geboortesituatie leken we uiterlijk in niets op elkaar. Ik was een kop groter, slank en was verre van kaal. Dat ik regelmatig vocht, hoe onwelkom ook, was fysiek zichtbaar.

Steeds vaker kruisten onze blikken elkaar. Aan tafel, bij het vuur… Ze had prachtige, grote, lichtblauwe ogen. Ze straalde onschuld en zinnelijkheid uit. Steeds vaker zochten mijn ogen de hare. Ik voelde warmte als ze naar me glimlachte. ‘s Nachts schrok ik wakker van de hitte, het verlangen naar haar lichaam. Eens temeer werd me duidelijk dat ik ook geen toekomst als priester had.

Ik ging net op weg toen mijn broer zijn bruid verwelkomde. Een paar weken lang zou ik van toernooi naar toernooi reizen. Ternauwernood kon ik de bruiloft bijwonen of ik moest vertrekken. Tegen de tijd dat ik thuis kwam, had Edith zich gevestigd als vrouwe van het huishouden. Jong als ze was, hield ze zich kranig staande. Ik kende onze bedienden en wist dat ze zouden proberen een loopje met haar te nemen. Ik was aangenaam verrast door haar zachte kracht toen ik thuis kwam. Ze was onbetwistbaar de vrouwe van de burcht. Ik denk dat ik haar toen al graag in bed genomen had, al besefte ik het nog niet.

Onze vaders waren al bevriend voordat wij geboren werden. Ze hadden het huwelijk gearrangeerd zodra Edith in de wieg lag. Haar vader stond erop dat er pas getrouwd werd wanneer zijn geliefde dochter 14 was. Ze was het eerste meisje na zeven zoons en haar vader had direct een zwak voor haar. George en ik waren 15 en niet geïnteresseerd in het brullende hoopje mens dat daar in de wieg lag. Op weg naar huis zei George zachtjes tegen me; “was jij maar de eerste geweest. Ik wil niet trouwen. Nooit! Ik wil vechten, vechten voor de koning!” Ik dacht later nog vaak aan zijn woorden en gruwde van deze misplaatste grap van God. Misschien was dat mijn grote fout. Deze minachting voor Gods wegen. Misschien is daarom alles nu verloren.

Ongewild kropen er giftige gedachten in mijn hersens. Wat, als mijn broer er niet meer zou zijn..? Ik was zijn erfgenaam. Alles zou mij toevallen. De burcht, de landerijen, de boerderijen, het vee, de boeren, de dorpelingen, het dorp, de bossen. Uren kon ik me overgeven aan zulke dromerijen. Wat zou mijn eerste handeling zijn als landheer? Ik dacht aan Edith, met haar betoverende ogen en lange, blonde haar. Ik stelde me voor hoe het om haar heen zou zwieren als ze het los maakte. Ik zou haar bovenop me zetten, zodat het lichte, bijna vloeibare fluweelzachte goud naar beneden kon stromen over haar borsten en ik er met twee handen in kon grijpen.

De volgende dag gruwde ik altijd van deze met drank overgoten fantasieën en ging te biecht.

En toen brak die rampspoedige nacht aan.

Ik kon haar niet meer weerstaan. Was het de wijn? Mijn wrange noodlot? Mijn jaloezie, of de onzekerheid over mijn toekomst? Hoe het ook zij – die avond zat ik weer bij de haard. Ik was aardig beschonken maar kon nog wel een paar bekers aan. Ik hoorde haar niet aankomen en sprong bijna op van schrik toen ze een hand op mijn schouder legde. Ik keek om me heen, maar mijn broer was nergens te bekennen. Het was als een plotse vloedgolf. Ik moest haar bezitten, op dat ogenblik en die plek. De wijn moet meegespeeld hebben maar God weet, hoe ik naar haar verlangde. Niets kon me tegenhouden. Ze schrok van mijn reactie, maar strengelde zich al snel wulps om me heen. Was dit immers niet, waarvoor ze me kwam opzoeken..?
“George slaapt,” fluisterde ze in mijn oor. “Niets kan hem nu nog wakker maken. We hebben tot het ochtendgloren.”
Ik gromde en beet in haar hals, want ik wilde niets over mijn broer horen. Ik nam haar, daar op de stenen vloer bij de haard, snel en hevig. Terwijl ik in haar loshangende haar hijgde, fluisterde ze: “van jou wil ik een zoon!” Ik was te beneveld. Pas veel later drong het bedrog jegens mijn broer tot me door. Niet alleen had ik zijn vertrouwen beschaamd. Het kon goed zijn dat ik de vader van zijn kind werd.

Gaandeweg werd het makkelijker. Waar we elkaar konden ontmoeten, deden we dat. Ik maakte mezelf wijs dat George beter moest opletten. Ik zei tegen mezelf: beter ik dan een ander. Zo blijft het ons bloed, wanneer er een kind uit voortkomt. Het werd makkelijker en makkelijker en uiteindelijk begon ik hem te minachten. Omdat hij het niet zag. Omdat hij niet voor haar kon zijn, wat ze nodig had.

Edith speelde in op de losse gedachten die soms opkwamen. Tussen neus en lippen door liet ze zich ontvallen, hoe fijn ze het had bij mij. Hoe heerlijk het zou zijn, als we in het openbaar samen konden zijn. Ons niet hoefden te verstoppen, dit geheim niet zouden hebben. Die gruwelijke ideeën, die ik in het begin ruw de kop indrukte maar die gaandeweg, bijna lui, hun weg weer vonden in mijn gedachten. Wat, als mijn broer er niet meer zou zijn..? Ik zou niet hoeven vechten. Ik zou geen priester hoeven worden. Niemand zou mijn positie kunnen betwisten. Ik was dronken, maar nu niet meer van de wijn.

En nu… het is te laat. Ze heeft me verraden. Ook nadat mijn broer stierf, bleef ze tegen mij zeggen dat we getrouwd waren. Ik kon mijn geluk niet op. We bevestigde onze heilige band in bed, keer op keer. Het was een voldongen feit, erkend door de wet. Was dit immers niet alles, dat er nodig was? We zeiden het beiden en beklonken de verstandhouding bijna iedere nacht en vaak ergens in de middag als het ons lukte elkaar te treffen. Ik zou moeten wachten, maar op een dag zou Edith de rouw van zich afwerpen en konden we samen zijn voor het oog van de wereld. Eindelijk was ik de oudste broer. De enige broer. Ik duwde gedachten aan George in zijn koude graf van me af. Soms had ik daar de hulp van wijn bij nodig.

Nog geen maand later, in mei, ontmoette ze hem. Hij was ridder. Ze was op slag verliefd. Ik was erbij, ik zag het gebeuren. De grond zonk onder me vandaan en ik ging zitten, of liever, liet me vallen op een zetel omdat mijn benen me niet meer konden dragen. Ik was verdoofd en tegelijkertijd buitelden talloze gedachten door mijn hoofd. Wat had ze voor mij gevoeld? Ik hield van haar, volledig. Ik had altijd liefde in haar ogen gezien als ik op haar lag, als ik in haar was. Maar de blik die ik altijd gezien had… Was het een illusie? Het was anders dat dit en ik kon het zien. Eindelijk kon ik het zien. Ik had mijn broer vermoord voor haar. Voor niets. Ik had niets. Ik was niets. Onze band, bestendigd in bed, onze woorden die maakten dat we voor de wet getrouwd waren – ze lachte in mijn gezicht toen ik haar eraan herinnerde. “Wie heeft ons gehoord?” Haar ogen schoten vuur toen ik haar confronteerde. Ik had haar in een pijnlijke stevige greep en beet haar toe: “De bedienden, iedereen die ons heeft gehoord, op de vloer bij het haardvuur, op de hooizolder, in mijn slaapvertrek!” Ze had bang moeten zijn voor mijn uitbarsting, maar in plaats daarvan was ze woest. Binnen enkele dagen was een aantal mensen ontslagen en wie nog een betrekking had, sloop als een geslagen hond door het kasteel. Nee, daar hoefde ik niets van te verwachten. Plots voelde het al, alsof ik buiten stond.

Blind was ik. Mijn broer was goed voor mij. Ik zat aan zijn dis, ik sliep in zijn burcht. Ik hield van hem, maar ik wilde meer… en nu? Nu ben ik hem kwijt. En met hem, zijn bezit. Zijn bezit, dat mij toekwam.

Vanuit de bossen sla ik zijn nog levende gemalin gade. Ze zal boeten voor wat ze ons aandeed. Mijn broer onder de grond, zijn bezit in de handen van een andere man. Een man die mijn plek innam.

Het gezicht van mijn broer kan ik niet meer vergeten. De verrassing, de afschuw toen hij besefte dat ik hem het leven ontnam. Het mes onherroepelijk in zijn hart, stonden we als bevroren, met onze gezichten bijna tegen elkaar. Pas toen hij zijn ogen sloot en viel, kwam ik weer bij zinnen. Zijn lichaam heb ik, moge God me vergeven, verder toegetakeld. Het moest immers een roofoverval lijken. Een snode aanval door stropers… Ook mezelf heb ik verwond. Op dat moment was ik overtuigd dat het enkel letterlijk was. Ik scheurde mijn kleren en stak het mes in mijn been en in mijn arm, niet te diep. Net genoeg om flink te bloeden. Ik gaf de paarden een flinke mep op de bil zodat ze ervan door gingen. Ik wist dat ze naar de stal zouden gaan. Later zou ik zeggen hoe ze zich hadden ontworsteld aan de stropers. Ik heb moed gevat en ben huiswaarts gestrompeld. Eenmaal op het binnenplein heb ik de boel bij elkaar gebruld, voor ik verzwakt in elkaar zakte.

De begrafenis van George was groots. Iedereen was er. Niet alleen was hij geliefd, hij was ook een achtenswaardig lid van de samenleving. Edith was een weduwe, die innig rouwde. Wekenlang kon ze niet met mij samen zijn en ik begreep het. We wilden George uit de weg hebben. Was er een andere manier geweest… Ik zuchtte en voelde wroeging. Ik wist dat zij oprecht verdriet had. Ik zou haar alle tijd gunnen die ze nodig had.

Nog altijd was ik ervan overtuigd, dat het goed voor me zou aflopen. Na de periode van rouw die Edith moest aanhouden, konden we de wereld verkondigen dat we getrouwd waren. We konden zelfs een bescheiden feest geven. Respectvol naar mijn vermoorde broer, natuurlijk, maar wat was er op tegen de dorpelingen en boeren eten, drinken en een dansfestijn te gunnen?

Straks gaat ze naar huis met haar nieuwe bruidegom. De eigenaar van alles dat zij bezit. Alles wat van mijn broer was. Alles, wat van mij had moeten zijn. Ik heb niets, en zij? Ik heb eerder gemoord en ik zal het opnieuw doen. En ik zal eindelijk angst in haar ogen zien. Het is alles, waar ik nog voor leven kan.