IJs- en ijskoud

Zodra de wekker midden in de nacht afgaat, zwiep ik meteen mijn benen over de rand van het bed. Ik moet wel, anders val ik weer in slaap. Mijn blote voeten raken de vloer en het duurt een halve seconde voor het tot me doordringt dat ze in een laagje ijskoud water staan.
What the f*ck..?
Ik knip mijn nachtlampje aan en kijk verbaasd naar de grond. Er ligt ongeveer 3 centimeter kraakhelder water. Wat is er gebeurd!?

Rillend van tegenzin plant ik mijn voeten weer in het vrieswater en sta op. Ik doe de slaapkamerlamp aan en ook de ganglamp. Het water beweegt bijna zwoel waar ik het in beroering breng. Verderop ligt het stil en sereen. De volle maan schijnt door de ramen van mijn werkkamer en spiegelt zich spottend in mijn kersverse probleem. Ik kijk om me heen. De hele verdieping staat onder water. Dit geloof je toch niet. Voor het eerst lijkt mijn appartement groot. Ik probeer te negeren dat mijn tenen langzaam maar zeker bevriezen. Er is geen beweging te bespeuren als ik stil blijf staan, dus wat ook de oorzaak was, is nu gestopt. Ik ga na wat er gebeurd kan zijn. Was het een lek? Een overstroming? Binnenvallende regen..? Ik kijk of er een raam open staat. Alleen het bovenlicht van mijn slaapkamer staat op een bescheiden kiertje, dus al had het geregend, dat kan het niet zijn. Ik sta in dubio. Dit probleem moet worden opgelost. Zelfs als de oorzaak weg is, moet ik nog altijd het water weg zien te krijgen. Het parket gaat naar de kloten door dit bad. Ik moet dweilen, en snel ook. Red ik dat? Ik zet mijn wekker al zo laat mogelijk en als ik te laat kom, zijn de rapen gaar. Razendsnel ga ik na of deze noodsituatie excuus genoeg is om mijn late verschijnen acceptabel te maken. Nee, natuurlijk niet. Ik ga nu op weg en mijn houten vloer is verpest, of ik blijf en ga dweilen. Dan is het allemaal verloren. Ik hoef echt niet later dan afgesproken aan te komen. Ik ben al vervangen voordat ik ‘sorry dat ik te laat ben’ kan zeggen.

Ik baal enorm. De kans van mijn leven, verknoeid door een laagje water. Wat bezielde me!? Wat doet een hardhouten vloer ertoe, als je er duizenden kunt kopen? Ik zucht diep. De vloer is intussen watervrij. Ik heb me in het zweet gewerkt, maar de vloer kan weer ademen. Hier en daar glanst hij opvallend in het lamplicht waar nog een filmpje vocht moet wegtrekken. Ik vervloek mijn OCD. Maar die vloer is het is het enige dat dit waardeloze appartement nog enigszins de moeite waard maakt.

Ik kan tegen mezelf zeggen wat ik wil, ik blijf kwaad. Ik heb het verknald. Somber zit ik op de doorgezakte, grijze, tweedehands bank met de verdachte vlekken en staar naar de grote stapel kletsnatte handdoeken in de hoek. Ook dat nog. Mijn wasmachine is sinds vorige week kaduuk. Verdomme. Voor mijn geestesoog sjouw ik die stapel handdoeken naar de wasserette. Ik kan het me niet veroorloven iets weg te gooien. Ik zucht diep. Wat een kloteleven is dit, zeg. Geen geld, geen vooruitzichten. Niets. Ik trek mijn vierde biertje open en gooi het dopje op de wiebelende salontafel. Ooit gevonden bij het grof afval en ik had gehoopt dat ik hem morgen direct uit het raam kon flikkeren. Maar nee, dat zit er nu natuurlijk niet meer in.

De hele dag gaat als een kater voorbij. Ik ben sjacherijnig en er komt niks uit mijn handen. Steeds weer herhaalt zich die ene gedachte: je had nu rijk kunnen zijn. Verdomme. Hoe kon ik zo stom zijn?! Een vloer. Een vloer, goddomme!! Een mooie vloer, maar toch, uiteindelijk zijn het gewoon een stel simpele houten planken. Ik krijg zin om dat kreng in de hens te steken. Ergens een bijl vandaan te halen en het hout los te hakken, in kleine stukjes. Weet je wat? Ik steek het in de hens en als de brandweer komt, leen ik van de mannen wel een bijl. Ben ik in één keer klaar.

Niemand belt me die dag. Ik had het ook niet verwacht. Deze klus heb ik verneukt en ik kan alle toekomstige klussen ook wel op mijn buik schrijven. Geen schijn van kans dat Jack me nu ooit nog benadert. Ik denk koortsachtig na. Ken ik nog iemand? Heel even maak ik mezelf aan het lachen met de gedachte aan Jack te vragen of hij nog iemand weet aan wie ik een klus kan vragen. Ha, ha. Ik zie zijn rotsmoel al, zijn vuisten klaar om mij op mijn gezicht te slaan. Jack was altijd al een agressieve klootzak. Maar de gedachte is leuk. Een kort momentje vrolijkheid in een zwarte klotedag.

Pas ‘s avonds hoor ik het nieuws. De tv staat al uren doelloos aan en ik zap verveeld. Op het nieuws zie ik een bekend beeld, het is een live verslag vanaf de straat en op de achtergrond zie ik een bankgebouw. Het is de bank die ik van binnen en van buiten ken. Die Jack ons heeft laten bestuderen tot we allemaal murw waren. Ik laat de tv op de zender staan en luister naar de monotone, wat lijzige stem van de verslaggever. Bij een bankoverval in de stad zijn zes mensen omgekomen en vijftien gewond geraakt. De bankovervallers waren in no time omsingeld. Ze zijn allemaal gedood door de politie. Ik zit als verstijfd op de bank. What the hell? Ik bedenk dat ik nog altijd niet weet, wat de overstroming veroorzaakt heeft. Ik zucht diep en opgelucht en bijna automatisch leg ik mijn wijsvinger en duim om mijn andere pols, alsof ik het moet checken nota bene. Mijn gedachten zijn abrupt gestopt, voor het eerst die dag. Geen koortsachtig kringetjesdenken meer, maar een volkomen, welkome stilte. Dan komt er één gedachte in me op.
Ik leef nog.
Ik leef nog.
Ik ben gered door een mysterieus laagje ijskoud water. Plotseling ben ik ontzettend blij met mijn mooie, hardhouten vloer. Ik kijk waarderend naar het glanzende, prachtige parket. Dat gaat nog jaren mee.